De Boer en ik, we groeten”

De boer en ik, we groeten (Jacqueline Engbers)

woensdag 10 september 2014

De boer en ik, we groeten.
Elke dag zie ik het land dat hij bewerkt. Als ik naar mijn werk ga en er van terugkom, als ik in het weekend een eindje ga hardlopen of met man en zonen een avondommetje maak.
Ik geniet altijd van het land. Hoe het strak geploegd ligt, hoe het gewas groeit, hoe trekkers en combines erover bewegen. Diep respect heb ik voor de mannen die ik in de weer zie. Althans, respect voor het werk dat zij op het land leveren. Om wat ie ons flikt met de windturbines zou ik de boer haast haten.

boerenland1

Onze kinderen gebruiken het waar het zo uitkomt. Ik leg ze steeds uit dat haten een groot woord is. Met haat schiet je niets op – het maakt alles eigenlijk alleen maar erger. Probeer de ander te begrijpen, zeg ik. Dan hoef je niet te haten.
Toch weet ik niet welk woord ik hier anders zou moeten nemen. Ik heb mijn best gedaan te snappen waarom alles achter onze rug gebeurt. Plannen worden gemaakt en deals gesloten. Over enorme gevaartes die net zo veel impact op de omgeving zullen hebben als ze groot & zwaar zijn. Ze gaan bewegen, licht afgeven, herrie maken, vogels en vleermuizen verjagen en soms afslachten, de gezondheid van m’n gezin en mij en onze buren en onze dorpsgenoten en buurdorpsgenoten ondermijnen, de waarde van onze woningen drastisch verlagen en onze pensioenvoorziening en de toekomst van onze kinderen en daarmee de hele streek onderuit halen.

De windturbines leveren geld op, wat de boer goed kan gebruiken. Dat kan ik me voorstellen. En ik begrijp ook, dat ie denkt een bijdrage te leveren aan duurzaamheid. Die illusie is makkelijk te koesteren: een rij windturbines heeft nou eenmaal een groenere uitstraling dan een kerncentrale. En de grote windbedrijven die de boer een handje helpen zullen er alles aan doen om de groene illusie te laten bestaan. Maar geld en de groene gedachte verklaren voor mij nog niet hoe de boer mij, ons, zo heeft kunnen verraden.

De boer en ik, de groeten.

Donderdag 11 september 2014
Zo had ik dit stukje willen eindigen, maar het is te lief. Deze woordspeling geeft de wanhoop niet weer, die we als inwonenden van een gepland windpark voelen. Het zegt te weinig over de slapeloze nachten, die we nu al drieënhalf jaar geregeld doormaken – uit zorg over wat er komen gaat. Of over het gevoel van machteloosheid. Er wordt besloten en beslist: letterlijk over onze hoofden heen. Wij doen er niet meer toe. We hebben er nooit toe gedaan.
Ik zag het vanochtend in de spiegel: die dolk tussen mijn schouderbladen is geen gezicht. Het draait niet om haten. Het gaat om serieus genomen worden.

Deel deze informatie!Tweet about this on Twitter0Email this to someoneShare on Google+0