Verkenning gronden

KLACHT TEGEN DE STAAT DER NEDERLANDEN ONDER HET VERDRAG VAN AARHUS 

VERKENNING VAN MOGELIJKE GRONDEN

  Prof. dr. A.W. Koers

Schettens, 4 maart 2014

 

 

Inhoud

I.     ALGEMENE BEPALINGEN       p. 1

  1. Artikel 1 – Doel
  2. Artikel 3, lid 2 - Algemene bepalingen

 

 II.    PIJLER 1: TOEGANG TOT MILIEU-INFORMATIE      p. 3

  1. Artikel 5, lid 7 – Verzamelen en verspreiden van milieu-informatie

 

 III.  PIJLER 2: TOEGANG TOT BESLUITVORMING          p. 5

  1. Artikel 6, lid 2 – Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten
  2. Artikel 6, lid 4 – Idem
  3. Artikel 6, lid 5 – Idem
  4. Artikel 6, lid 6 – Idem
  5. Artikel 6, lid 8 – Idem
  6. Artikel 7 – Inspraak betreffende plannen, programma’s en beleid ….
  7. Artikel 8 – Inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen ….

 

 IV.  PIJLER 3: TOEGANG TOT DE RECHTER        p. 12

  1. Artikel 9, lid 2 – Toegang tot de rechter

 

 V.   ANDERE ZAKEN                       p. 14

1.  Algemene punten

2. Specifieke punten

3.  Vervolg

 

I.     ALGEMENE BEPALINGEN

 1.    Artikel 1 - Doel

 Tekst

Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstem-ming met de bepalingen van dit Verdrag.

 Mogelijke klacht

Windturbines en windparken maken inbreuk op het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn.

 Toelichting

  1. Zie de verklaring van het Verenigd Koninkrijk bij ondertekening waarin bovenstaande interpretatie expliciet wordt uitgesloten – wat opgevat kan worden als een bevestiging van de juistheid daarvan voor Nederland dat niet zo’n reserve maakte.
  2. In de (an sich niet bindende) preambule wordt het recht van eenieder om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid zonder enige reserve erkend. Daarbij wordt ook verwezen naar resolutie 45/94 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
  3. In die preambule wordt adequate bescherming van het milieu aangemerkt als van wezenlijk belang voor het welzijn van mensen en het genot van fundamentele mensenrechten.
  4. In de klacht van de Stichting Gigawiek bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt gesteld dat het in Houten gebouwde windmolenpark een inbreuk vormt op artikel 8 ECHR: Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven. Die stelling wordt uitvoerig onderbouwd.

 Vervolg

e.  Wat staat er in die resolutie van de Algemene Vergadering? Niet bindend, maar toch. Zie ook de artikelen 21 en 22 van de Grondwet – alleen jammer dat de rechter het Activiteitenbesluit niet mag toetsen aan de Grondwet. Niettemin: punt in Aarhus klacht?

f.  De Gigawiek klacht is op het punt van gezondheid en welzijn dusdanig goed onderbouwd en gedocumenteerd dat een Aarhus klacht voor dit onderwerp weinig uitzoekwerk zal vragen.

 

2.    Artikel 3, lid 2 - Algemene bepalingen

 Tekst

Elke Partij streeft ernaar te waarborgen dat overheidsfunctionarissen en overheidsinstanties het publiek bijstaan en begeleiden bij het verkrijgen van toegang tot informatie, het vergemakkelijken van inspraak in besluitvorming en het verkrijgen van toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

 Mogelijke klacht

Overheidsfunctionarissen en -instanties bleven (en blijven) in gebreke het publiek bij te staan en te begeleiden bij het verkrijgen van informatie over windenergiebeleid en -projecten, het vergemak-kelijken van participatie in besluitvorming daarover en bij het verkrijgen van toegang tot de rechter.

 Toelichting

a.   Er zijn meerdere overheidsinstanties die windenergieondernemers ondersteunen bij het ontwikkelen van plannen en projecten voor windenergie. Zie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen Agentschap NL). Zie in feite het gehele ministerie van Economische Zaken.

b.   Er is geen enkele overheidsdienst die zich specifiek bezig houdt met het ondersteunen van het publiek bij het verkrijgen van informatie over windenergiebeleid en -projecten. Waar de overheid ondernemers bij de planvorming links en rechts helpende handen aanreikt, doet die overheid niets voor het “publiek”, omwonenden in het bijzonder.

c.   Dit klemt des te meer omdat windenergieondernemers het zich so-wie-so al kunnen veroorloven zich te laten bijstaan door (vaak goedbetaalde) externe adviseurs met de nodige kennis en ervaring: is onderdeel van de ontwikkelkosten en fiscaal aftrekbaar.

d.   Er is dus op geen enkele wijze sprake van een “level playing field”: tegenover door de overheid gesteunde en gesubsidieerde projectontwikkelaars staan goedwillende amateurs die het in de vrije tijd moeten doen. En die op geen enkele wijze steun krijgen van de overheid. Integendeel: die de overheid vrijwel altijd aantreffen aan de kant van de projectontwikkelaars.

 Vervolg

e.   Aan de diverse actiegroepen, dan wel aan geselecteerde zegslieden daaruit, zou gevraagd kunnen worden concrete situaties te beschrijven waarin overheidsfunctionarissen of -instanties in gebreke zijn gebleven bij het bijstaan en begeleiden van het publiek. Let wel: “publiek” en niet de meer beperkte groep “betrokken publiek”.

f    Vanuit de provincie Drenthe is er reeds een dossier beschikbaar waaruit blijkt dat daar bepaald niet werd voldaan aan de eisen van bijstand en begeleiding – integendeel: als er om informatie werd gevraagd, kwam die niet of slechts mondjesmaat beschikbaar. Soms werden zelfs hele dorpen overgeslagen bij het verschaffen van informatie.

II.   PIJLER 1: TOEGANG TOT MILIEU-INFORMATIE

 

1.    Artikel 5, lid 7 - Verzamelen en verspreiden van milieu-informatie

 Tekst

Elke Partij: a. publiceert de feiten en feitenanalyses die zij relevant en belangrijk acht voor het opstellen van essentiële milieubeleidsvoorstellen; b. publiceert, of maakt op andere wijze beschikbaar toelichtend materiaal toegankelijk [sic - AWK] over haar contacten met het publiek over aangelegenheden die behoren tot het toepassingsgebied van dit Verdrag; en c. verstrekt in gepaste vorm informatie over het verrichten van openbare functies of het verlenen van openbare diensten betreffende het milieu door de overheid op alle niveaus.

 Mogelijke klacht

Lang niet alle feiten en feitenanalyses die relevant en belangrijk zijn voor het opstellen van het windenergiebeleid werden (en worden) gepubliceerd. Daarbij ontbraken (en ontbreken) in het bijzonder analyses met betrekking tot nut en noodzaak van windenergie.

 Toelichting

a.   Ondanks veelvuldige en persistente verzoeken heeft de overheid geweigerd een brede maatschappelijke discussie te organiseren over nut en noodzaak van windenergie. Er zijn ingewijden die zeggen dat EZ dit systematisch heeft afgewezen omdat men “wel wist wat er uit zou komen”.

b.   WOB-verzoeken bij EZ en I&M laten zien dat er ook binnenskamers (althans na 2007) nooit een echte analyse is gemaakt van de maatschappelijke voor- en nadelen van windenergie. In al die stukken gaat het enkel over de vraag hoe het gestelde doel – een X aantal MWs opgesteld vermogen in jaar Y – bereikt kan worden. En als er al eens afwegingen werden gemaakt, hadden die enkel en alleen betrekking op landschap en natuur – nooit op de sociaal-economische aspecten.

c.   Uit dat WOB-materiaal blijkt niet alleen dat er nooit een afweging is gemaakt van nut en noodzaak, maar dat de sociaal-economische impact van windturbines en windparken op omwonenden en op het platteland in het algemeen in feite nooit in de discussies werd betrokken. Wel aparte studies over landschappelijke inpassing – nooit een studie over de sociaal-economische inpassing. Wel ruimtelijke perspectieven – nooit menselijke. Stuitend, als je stuk na stuk doorleest en nergens iets tegenkomt over de mensen die er wonen.

d.   Dat burgers en burger-organisaties niet aan tafel zaten (en zitten) – en dus ook niet geïnformeerd werden (en worden) – is des te navranter omdat de NWEA, de brancheorganisatie van de windenergie-industrie, vanaf het begin altijd wel aan tafel zat. Later kwam daar ODE, ook pro-windenergie, en natuur- en milieuorganisaties nog bij. Maar niet het “publiek”.

e.   Het Nationaal Actieplan voor Energie uit Hernieuwbare Bronnen van 2010 (ter uitvoering van EU Richtlijn 2009/28/EU met de 14% doelstelling in 2020) stelt een doel van 6000 MW op land in 2020 op basis van deels vertrouwelijke adviezen van werkgroepen bestaande uit personen met nauwe banden met de windenergie-industrie. Een website waarin die gang van zaken traceerbaar was, is vorig jaar uit de lucht gehaald. Toeval?

f.   Het doel van 6000 MW op land in 2020 is de hoeksteen van het huidige beleid en dat doel kwam dus tot stand zonder enige voor het publiek toegankelijke analyse van maatschappelijke voor- en nadelen – in feite zonder enige echte analyse want die 6000 MW gaat (aantoonbaar) terug op een advies van een werkgroep uit de (wind)energie-industrie.

g.   Dat 2020 doel van 6000 MW wordt bevestigd in het recente Energieakkoord voor Duurzame Groei van 2013. Ook dit akkoord kwam tot stand door overleg in de binnenkamers van de SER, weliswaar met brede participatie van belangenorganisaties, maar zonder echte analyse en zonder brede informatieverschaffing aan de samenleving als geheel.

h.   WOB verzoeken aan provincies en gemeenten laten zien dat ook daar echte analyses van nut en noodzaak van windenergie ontbreken. Alle analyses en afwegingen concentreren zich op één enkele vraag: hoe kan voldaan worden aan die eis van 6000 MW op land in 2020. Van publicatie van feiten en feitenanalyses over de maatschappelijke voor- en nadelen van windenergie is dus geen sprake.

i.    Meer in het algemeen: zowel het Nationaal Actieplan uit 2010 als het Energieakkoord uit 2013 zijn de uitkomst van polderen tussen belangenorganisaties. Van een brede maatschappelijke discussie en informatievoorziening naar de samenleving als geheel is dus geen sprake geweest.

 Vervolg

j.    Velen hebben jarenlang aangedrongen op een brede maatschappelijke discussie over nut en noodzaak. Aan Pieter Lukkes en Fred Jansen kan gevraagd worden de persistente weigering om die discussie aan te gaan – met name vanuit EZ – te documenteren.

k.   Ook een nadere analyse van de documenten ontvangen van EZ en I&M na een WOB-verzoek zal bevestigen dat het vanaf 2007/2008 alleen maar ging over de vraag hoe een bepaald aantal MWs op land gerealiseerd kan worden – dus nooit over nut en noodzaak van windenergie.

l.    Nadere analyse van die documenten laat ook zien hoe intensief de lobby van de windenergie-industrie bij de Haagse beleidsbepaling was betrokken. Dit dus in tegenstelling tot het publiek.

m.  Bij dit alles is wel de vraag hoe hard deze klacht kan worden gemaakt – zie de zinsnede “die zij relevant en belangrijk acht”. Echter, zo er al geen strijdigheid is met de letter, zo lijkt er wel sprake te zijn van strijdigheid naar de geest.

   

III.  PIJLER 2: TOEGANG TOT BESLUITVORMING

 1.    Artikel 6, lid 2 - Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

 Tekst

Het betrokken publiek wordt, bij openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieubesluitvormingsprocedure, en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze, geïnformeerd over onder meer: a. de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen; de aard van mogelijke besluiten of het ontwerp-besluit; c. de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie; d. de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt: i. de aanvang van de procedure; ii. de mogelijkheden voor inspraak van het publiek; iii. de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting; iv. een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd; v. een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en vi. een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en e. het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieu-effect-rapportage.

 Mogelijke klacht

Bij besluiten over specifieke windenergieprojecten werd (en wordt) het publiek niet altijd op een adequate, tijdige en doeltreffende wijze geïnformeerd over de voorgestelde activiteit, over de aanvraag, over de te nemen besluiten of over de beoogde procedure.

 Toelichting

a.   Tot (globaal) 2005 was het verlenen van een vergunning voor een windturbine een zaak die veelal binnenskamers werd geregeld tussen de “windboer” en een wethouder, zeker als het ging om een solitaire molen op het eigen erf. Uiteraard was er wel democratische controle door de gemeenteraad, maar het publiek werd niet echt geïnformeerd, zeker niet actief. Hoewel er nu meer transparantie is, wil dit nog niet zeggen dat het publiek beter wordt geïnformeerd.

b.   Eén reden daarvoor is dat zowel bij het Rijk (voor windparken boven 100 MW), als bij provincies (voor parken tussen 5 en 100 MW) als bij gemeenten (voor parken kleiner dan 5 MW) de informatie over nut en noodzaak ontbreekt die nodig is om het publiek te informeren. Zie hierboven onder artikel 5, lid 7.

c.   Daarnaast vindt overleg over een voorgestelde activiteit nog steeds vaak achter gesloten deuren plaats zonder dat informatie daarover naar buiten wordt gebracht. Overtuigend voorbeeld daarvan is de gang van zaken bij het 450 MW windpark in de Noordoostpolder en de gang van zaken bij het Windpark Fryslân in het Noordelijk deel van het IJsselmeer.

d.   In beide gevallen was en is er regelmatig overleg tussen Rijk, provincie, gemeente en projectontwikkelaars, maar wordt het publiek niet of bijna niet geïnformeerd. En als er al sprake is van informatieverschaffing dan komt die veelal van de projectontwikkelaars en niet van de betrokken overheden. Er zijn WOB-verzoeken ingediend om inzage te krijgen in de verslagen van het overleg over Windpark Fryslân, maar daarop is nog geen reactie ontvangen.

e.   Tenslotte en van een wat andere orde: in het verleden gaf het ministerie van I&M (toen nog VROM) aan gemeenten onjuiste voorlichting over de mogelijkheden van gemeenten om voor een bepaald project maatwerkvoorschriften vast te stellen ter voorkoming van geluidshinder: dat zou slechts bij hoge uitzondering kunnen. Die onjuiste voorlichting werd vervolgens door gemeenten gebruikt richting inwoners en omwonenden.

f.   Casuïstiek: Henk Hoving werd nooit actief geïnformeerd door enige overheid over de gevolgen van het windpark NOP voor zijn bedrijf, o.a. dat hij een strook grond kwijt zou raken. Zie email HH aan AK van 7-11-20-13.

 Vervolg

g.   In Nederland worden er eerst zoekgebieden aangewezen waarin vervolgens windondernemers plannen kunnen gaan maken. Te onderzoeken is of het aanwijzen van zoekgebieden valt onder artikel 6 (specifieke activiteiten) of artikel 7 (algemeen beleid). Die vraag is van belang omdat in Nederland juist het aanwijzen van zoekgebieden heel veel controverse veroorzaak.

h.   Ook hier zouden actiegroepen, dan wel aan geselecteerde zegslieden daaruit, ingeschakeld kunnen worden door hen te vragen gevallen en situaties te beschrijven waarin zij niet goed – adequaat, tijdig en doeltreffend – geïnformeerd werden over een concreet initiatief of plan.

i     Vanuit de provincie Drenthe is er reeds een dossier beschikbaar waaruit blijkt dat daar bepaald niet werd voldaan aan de eisen van een goed informatievoorziening bij het selecteren van zoekgebieden. Dat dossier laat zien hoe ongeorganiseerd dat proces verliep en hoezeer de informatievoorziening te kort schoot.

j.    Aan Fred Jansen is gevraagd om documentatie ter onderbouwing van punt e – dat VROM misleidende informatie gaf.

 

2.    Artikel 6, lid 4 - Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

 Tekst

Elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

 Mogelijke klacht

Inspraak in besluitvorming over specifieke windenergieprojecten vond (en vindt) niet altijd vroegtijdig plaats op een moment dat alle opties nog open waren (en zijn) en er sprake kon (en kan) zijn van een doeltreffende inbreng in de besluitvorming.

 Toelichting

a.   Als het gaat om specifieke windenergieprojecten, is er eerder sprake van het tegendeel: er vindt voorafgaand aan inspraak vrijwel altijd zoveel vooroverleg plaats tussen projectontwikkelaars en de betrokken overheid (gemeente, provincie en/of Rijk) dat er nog maar één optie open staat. Waar dan in de inspraak “ja” of “nee” tegen kan worden gezegd. Van een echte inbreng in de besluitvorming is dan ook veelal geen sprake.

b.   Als het om casuïstiek gaat, is de gang van zaken bij de eerdergenoemde windparken in de Noordoostpolder en het noordelijk deel van het IJsselmeer illustratief – en wellicht zelfs in strijd met de wet, meer in het bijzonder de adc-toets voor Natura-2000 gebieden.

c.   Die toets komt er – kort gezegd – op neer dat eerst gekeken moet worden of er alternatieven zijn. Zo ja: einde oefening. Zo nee: zijn er dwingende redenen van openbaar belang? Zo nee: einde oefening. Zo ja: zijn er mogelijkheden het verlies van natuurwaarden te compenseren?

d.   In de plantontwikkeling van beide windparken werd en wordt die volgorde niet aangehouden: bij het beantwoorden van de vraag naar alternatieven wordt er bijvoorbeeld al gekeken naar mogelijkheden van compensatie. Gevolg is dat er bij inspraak één enkel alternatief op tafel ligt en dat er geen sprake is van inspraak op een moment dat alle opties nog open zijn.

e.   In Nederland blijven projecten met 1 of 2 windturbines buiten de MER-regeling. Nog afgezien van de vraag of dit in overeenstemming is met de EU-regels, het levert ook een aanzienlijke beperking op van het recht op inspraak. Ook 1 of 2 turbines kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor omwonenden. Op dezelfde manier: de MER-beoordelingsplicht begint bij windparken groter dan 15 MW of met meer dan 10 turbines. Ook die grens beperkt de mogelijkheden van vroegtijdige inspraak door de direct betrokkenen.

f.   Anders dan voor elke andere industriële installatie worden de geluidsnormen voor een windturbine of windpark niet bepaald door het lokaal bevoegde gezag, maar liggen ze vast in één uniforme landelijke regeling. Dit betekent dat omwonenden geen inspraak hebben in het bepalen van de voor hen zo belangrijke geluidsnormen. Dit alles geldt ook voor slagschaduw. Het Activiteitenbesluit is dus in strijd met het Verdrag, in elk gevel met de geest daarvan omdat het inspraak uitsluit exact op een onderwerp dat voor omwonenden zeer belangrijk is.

g.   Als gezegd, in Nederland wijst de overheid (Rijk of provincie) eerst zoekgebieden waarin dan vervolgens ondernemers projecten kunnen gaan ontwikkelen. Dit betekent dat er eerst inspraak is over de keuze van zoekgebieden zonder dat het “betrokken publiek” weet om welke projecten het concreet gaat en dat er vervolgens inspraak is over die projecten terwijl al vaststaat dat ze in een zoekgebied liggen Dus elke keer inspraak over een deelaspect – nooit over het geheel en nooit een integrale afweging en discussie.

 Vervolg

h.  Ook hier kan casuïstiek/feitelijke informatie worden verzameld bij actiegroepen, dan wel bij geselecteerde zegslieden.

i.   Uit te zoeken is of er al uitspraken zijn waarin de term “betrokken publiek” nader wordt geduid. Hetzelfde voor de vraag wanneer er “individueel” geïnformeerd moet worden.

 

3.    Artikel 6, lid 5 - Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

 Tekst

Elke Partij zou, indien van toepassing, potentiële aanvragers aan dienen te moedigen het betrokken publiek te identificeren, discussies aan te gaan en informatie te verstrekken betreffende de doelstellingen van hun aanvraag alvorens een vergunning aan te vragen.

 Mogelijke klacht

Aanvragers van een vergunning voor een specifiek windenergieproject werden (en worden) niet aangemoedigd het betrokken publiek te identificeren, discussies aan te gaan en informatie te verstrekken over de doelstellingen van hun aanvraag.

 Toelichting

a.   Voorbeelden van overheden die projectontwikkelaars daadwerkelijk aanmoedigen om het publiek actief te betrekken en te informeren, zijn zeldzaam, als ze al bestaan. In de praktijk zijn het eerder de projectontwikkelaars die op eigen initiatief voorlichting geven over hun plannen, terwijl de betrokken overheid zich passief opstelt.

b.   Illustratief is het Energieakkoord voor Duurzame Groei van 2013 waarin in de paragraaf over windenergie op land het belang van draagvlak en van participatie van de bevolking in een project wordt benadrukt, maar waarin enigerlei vorm van operationalisering ontbreekt. Vrome woorden – geen daden.

 Vervolg

c.   Casuïstiek/feiten verzamelen via actiegroepen of zegslieden?

d.   Ook onderzoek doen op websites van overheden, vooral het Rijk, om te zien of daarop initiatiefnemers worden aangemoedigd om met het “publiek”  in contact te treden.

 

4.    Artikel 6, lid 6 - Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

 Tekst

Elke Partij stelt aan de bevoegde overheidsinstanties de eis dat zij het betrokken publiek voor inzage toegang verschaffen, op verzoek wanneer het nationale recht dit vereist, kosteloos en zodra deze beschikbaar wordt, tot alle informatie die relevant is voor de in dit artikel bedoelde besluitvorming die beschikbaar is ten tijde van de inspraakprocedure, onverminderd het recht van Partijen te weigeren bepaalde informatie bekend te maken in overeenstemming met het derde en vierde lid van artikel 4. De relevante informatie omvat ten minste, en onverminderd de bepalingen van artikel 4: a. een beschrijving van het terrein en de fysieke en technische kenmerken van de voorgestelde activiteit, met inbegrip van een prognose van de verwachte residuen en emissies;b. een beschrijving van de belangrijke effecten van de voorgestelde activiteit op het milieu; c. een beschrijving van de beoogde maatregelen om de effecten,met inbegrip van emissies, te voorkomen en/of te verminderen; d. een niet-technische samenvatting van het voorgaande; e. een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven;en f. in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste aan de overheidsinstantie uitgebrachte rapporten en adviezen op het tijdstip waarop het betrokken publiek dient te worden geïnformeerd in overeenstemming met het voorgaande tweede lid.

 Mogelijke klacht

Het betrokken publiek kreeg (en krijgt) lang niet altijd toegang tot alle informatie die relevant is voor de besluitvorming over een specifiek windenergieproject zoals deze beschikbaar was (en is) ten tijde van de inspraakprocedure

 Toelichting

a.   Zie diverse punten hierboven: afweging van nut en noodzaak ontbreekt en dus is er ook geen toegang tot informatie daarover; voorbereidend overleg vindt plaats in beperkte kring en achter gesloten deuren; en mogelijke alternatieven zijn al veel eerder van de tafel verdwenen.

b.   Wat dit laatste betreft: hoewel een planMER en/of een projectMER een schat aan informatie opleveren, ook voor het betrokken publiek, feit is dat er in die MERs vaak wordt uitgegaan van bepaalde veronderstellingen en impliciete keuzes. Voor windenergieprojecten uit zich dit in het feit dat er op voorhand zoekgebieden worden aangewezen – soms zelfs op puur politieke gronden – en dat de planMER dan alleen betrekking heeft op die zoekgebieden. Over die (politieke) voorselectie wordt weinig/geen informatie verschaft

d.   Dat dit geen triviaal probleem is, bleek recentelijk uit de kritiek van de Commissie MER op de planMER voor de Structuurvisie Wind op Land: er is in onvoldoende mate onderzoek gedaan naar mogelijke alternatieve locaties voor die grootschalige windparken en het selectieproces om te komen tot 11 gebieden is “onnavolgbaar”.

e.   Ook hier speelt het feit dat de overheid (Rijk of provincie) eerst zoekgebieden aanwijst. En het dan vervolgens aan marktpartijen over laat om projecten te ontwikkelen. Dus krijgt het publiek nooit “alle informatie die relevant is”: bij de keuze van zoekgebieden is onbekend om welke projecten het gaat en daarna als de projecten bekend zijn staan de zoekgebieden al vast.

 Vervolg

f.   Casuïstiek/feiten verzamelen via actiegroepen of zegslieden?

 

5.    Artikel 6, lid 8 - Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

 Tekst

Elke Partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak.

 Mogelijke klacht

Lang niet altijd werd (en wordt) er in een besluit met betrekking tot een specifiek windenergieproject naar behoren rekening gehouden met het resultaat van inspraak.

 Toelichting

a.   Na al het voorafgaande zal het niet verbazen dat er voor windenergie vrijwel nooit iets wordt gedaan met de uitkomsten van inspraak. De casuïstiek is overweldigend. In feite kan elke actiegroep en elk beroep op de Raad van State worden opgevat als een indicatie dat er geen of in onvoldoende mate rekening wordt gehouden met de uitkomsten van de inspraak.

b.   Ook hier is het windpark in de Noordoostpolder een treffend voorbeeld. Ondanks alle verzet – voor, tijdens en na inspraak – werd dat park toch gewoon doorgedrukt. Datzelfde zal hoogstwaarschijnlijk gebeuren met het Windpark Fryslân in het noordelijk deel van het IJsselmeer. En met tal van andere windparken – groot en klein.

c.   Ongetwijfeld zal het terzijde leggen van inspraak gerechtvaardigd worden met een beroep op het doel om in 2020 in totaal 6000 MW op land te hebben en op het nationale belang van dat doel. Alleen: nut en noodzaak van dat doel zijn nooit aangetoond, terwijl ook anderszins het nationale belang van windenergie onduidelijk is gebleven.

d.   Er is een OESO richtlijn die ondernemingen oproept (verplicht?) om “rekening te houden met de belangen van de omgeving”. Nederland tolereert dat windondernemers die regel vaker wel dan niet met voeten treden. De overheid bevordert dit zelfs door landelijk uniforme regels vast te stellen – bijvoorbeeld voor geluidsoverlast – die het lokale overheden vrijwel onmogelijk maakt ondernemers te dwingen rekening te houden met de omgeving.

 Vervolg

e.   Uit te zoeken is of er al uitspraken zijn over de interpretatie van de zinsnede “naar behoren”. Is die eis puur procedureel – dat je er op reageert – of ook inhoudelijk – wat je er mee doet?

f.   Ook hier casuïstiek/feiten verzamelen via actiegroepen of zegslieden?

 

6.    Artikel 7 - Inspraak betreffende plannen, programma’s en beleid ….

 Tekst

Elke Partij treft passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. In dit kader wordt artikel 6, derde, vierde en achtste lid toegepast. Het publiek dat kan inspreken wordt door de betreffende overheidsinstantie aangewezen met inachtneming van de doelstellingen van dit Verdrag. Voor zover passend spant elke Partij zich in om, bij de voorbereiding van beleid betrekking hebbende op het milieu mogelijkheden te scheppen voor inspraak.

 Mogelijke klacht

Bij de voorbereiding van algemene windenergieplannen en -programma’s was (en is) er met regelmaat geen sprake van inspraak binnen een transparant en eerlijk kader waarbij vooraf aan het publiek de daarvoor benodigde informatie werd (en wordt)  verstrekt.

 Toelichting

a.   Over het verschaffen van de voor inspraak benodigde informatie is hierboven al het nodige gezegd, maar hoe zit het met dat “transparante en eerlijke kader”? Want veel van wat hierboven werd aangevoerd komt er op neer dat er geen sprake is geweest (en is) van een transparant en eerlijk kader: geen nut en noodzaak discussie; voorbereiding besluitvorming in achterkamers met belangenorganisaties; alle steun aan projectontwikkelaars en niet aan burgers; onvoldoende toegang tot informatie; onjuiste instructies aan gemeenten; eenzijdige voorlichting; dichttimmeren van opties voorafgaand aan inspraak; voorbij gaan aan universeel en breed maatschappelijk verzet; etc.

b .  Daar komt nog bij dat de overheid – in het bijzonder het ministerie van EZ en daarbinnen Agentschap NL (nu Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) – aantoonbaar eenzijdige en  onjuiste voorlichting heeft gegeven over windenergie. “Aantoonbaar” omdat een klacht daarover werd erkend door de Nationale Ombudsman. De meer serieuze onjuistheden zijn sindsdien van de betreffende websites verwijderd, maar nog steeds zijn de overheidssites op het gebied van windenergie eenzijdig pro windenergie en laten zij niet de keerzijde zien.

c.   Uit WOB-verzoeken aan de ministers van EZ en I&M blijkt dat de NWEA – de branche-organisatie van de windenergie-industrie – jarenlang aan tafel heeft gezeten (en nog steeds zit) in tal van beleidsvoorbereidende bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de overheid. Later schoven natuur- en milieuorganisaties aan, maar van inbreng vanuit het “publiek” was geen sprake. Het was polderen in besloten gezelschap.

d.   Uit die WOB-documenten blijkt dat het maar om één ding ging in het overleg over het windenergiebeleid: hoe kan de ambitie van de regering worden gerealiseerd? Nooit ging het over nut en noodzaak of afweging van belangen. En nooit zat het publiek aan tafel of werd het geïnformeerd. Zie bijvoorbeeld het Nationaal Plan van Aanpak Windenergie uit 2007: wel belangenorganisaties, maar niet burger of publiek. Zelfs geen informatie naar het publiek.

e.   In de EPAW klacht bij het Compliance Committee en het Hof in Luxemburg werd aangevoerd dat artikel 7 de Europese Commissie verplicht uit te gaan van “credible studies” en om die te publiceren. Anders gezegd: niet af te gaan om studies afkomstig uit de windenergie-industrie. Ook de Nederlandse overheid leunde/leunt sterk op de windenergie-industrie verenigd in de NWEA. De NWEA was/is aanwezig bij tal van beleidvoorbereidende bijeenkomsten en legde/legt tal van beleidsvoorbereidende stukken en adviezen op tafel.

f.   Artikel 3.2 AWB verplicht de overheid zich te informeren en artikel 3.46 AWB om te motiveren. In de termen van het Verdrag zorg te dragen voor een eerlijk en transparant kader. Maar zie dan hierboven punt a voor de werkelijkheid van het windenergiebeleid.

g.   In de MER-procedures voor windparken staan milieu en natuur centraal en worden de effecten op mensen beperkt tot geluid en slagschaduw. Andere effecten op mensen – zoals woon- en leefgenot, waardedaling huis, werkgelegenheid – komen niet of maar een enkele keer aan bod. Die bias beperkt de ruimte voor inspraak door het “publiek”, bijvoorbeeld doordat voor omwonenden belangrijke zaken niet aan de orde kunnen komen.

h.   De Rijkscoördinatieregeling kan worden toegepast als het gaat om projecten van “nationaal belang”. Dat lijkt een extra zware motiveringsplicht te impliceren – en dus ook ruime gelegenheid voor inspraak. Die wordt echter niet geboden. Integendeel: via de Crisis- en Herstelwet werd de Elektriciteitsnet aangepast en, voilà, RCR voor alle windparken boven 100 MW en dus minimale ruimte voor inspraak.

i.    Casuistiek: een door Mirjan Goudriaan verzameld archief over de besluitvorming in Drenthe laat zien dat er nooit echt een afweging is gemaakt van nut en noodzaak, dat het alleen maar ging/gaat om aantallen MWs en locaties en dat het “publiek” niets had in te brengen, zelfs vaak niet werd geïnformeerd.

j.    Casuïstiek: In de Structuurvisie Wind op Land is 6000 MW op land in 2020 een niet meer bespreekbaar doel. Op de website over inspraak werd expliciet gezegd dat het geen zin heeft iets te zeggen over nut en noodzaak van windenergie. Daarmee wordt inspraak op de echte hamvraag – waarom? – op voorhand uitgesloten.

k.   Casuïstiek: In een brief van 11 november 2013 zegt minister Kamp op vragen van Klever (PPV) dat Nederland een representatieve democratie is en dat hij daarom niet bereid is de bevolking te laten oordelen over nut, noodzaak en kosten van windmolenparken. Ook dat het goed bestuur is om de bevolking niet te raadplegen over de tientallen miljarden aan subsidies.

 Vervolg

l.    Waar artikel 6 over specifieke projecten gaat, gaat artikel 7 over windenergiebeleid in het algemeen. Niet alleen is artikel 7 daardoor structureel belangrijker, maar, alles overziende, hier zou ook wel eens de meest overtuigende grond voor een klacht kunnen liggen. Het lijkt dus te lonen de inspanningen op dit artikel te concentreren.

m.  Bijvoorbeeld door nader onderzoek te richten op de gang van zaken bij het opstellen van een aantal belangrijke beleidsdocumenten, zoals: (1) het Nationaal Actieplan uit 2010; (2) het Energierapport 2011 (zou de bron zijn van 6000 MW op land); (3) het Energieakkoord voor Duurzame Groei uit  2013; en (4) de Structuurvisie Wind op Land van dit jaar. Meer specifiek: welke ruimte was er telkens oor participatie van het “publiek” in de besluitvorming?

n.   De klacht bij de Nationale Ombudsman tegen de eenzijdige voorlichting door Agentschap NL werd ingediend door de heer Matthijssen uit Beilen. Was hij tevreden met de doorgevoerde aanpassingen? Vindt hij dat de informatie nu wel correct is? Meer in het algemeen: wie is in staat (en heeft de tijd) om de meest relevante websites nog eens goed tegen het licht te houden?

o.   Uitzoeken welke stukken de NWEA inbracht bij de voorbereiding van beleid en welke invloed die stukken hebben gehad. Zie bijvoorbeeld de nota Ruimte voor wind op land van juni 2011 als inbreng in de lopende discussie over dat onderwerp. Voor inbreng vanuit de bevolking en het “betrokken publiek” was – en is – er heel wat minder ruimte.

 

7.    Artikel 8 - Inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen ….

 Tekst

Elke Partij tracht doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen, en terwijl opties nog openstaan, gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu. Hiertoe zouden de volgende stappen dienen te worden genomen: a. er zouden voor doeltreffende inspraak toereikende termijnen dienen te worden vastgesteld; b. ontwerp-regels zouden dienen te worden gepubliceerd of anderszins aan het publiek beschikbaar te worden gesteld; en c. het publiek zou in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken, rechtstreeks of via representatieve overlegorganen. Met het resultaat van de inspraak wordt zoveel mogelijk rekening gehouden.

 Mogelijke klacht

Bij het voorbereiden van uitvoerende regelingen en andere wettelijke regels was (en is) er vaker niet dan wel sprake van voor doeltreffende inspraak toereikende termijnen of van een gelegenheid voor het publiek om opmerkingen te maken, laat staan dat daar rekening mee werd (en wordt) gehouden.

 Toelichting

a.   Het meest saillante en ingrijpende voorbeeld van een uitvoerende regeling die zonder enigerlei vorm van inspraak tot stand is gekomen is wel de regeling inzake geluidshinder en slagschaduw in het Activiteitenbesluit. Ondanks het grote belang voor omwonenden werd die regeling er doorheen gejaagd in de nadagen van een afgetreden regering.

b.   Dit is des te navranter omdat die regeling ook nog eens significant afweek van het advies van het RIVM enkel en alleen om de realisatie van het windpark in de Noordoostpolder door te drijven en omdat die regeling voor windparken een regime vastlegt dat principieel afwijkt van het regime voor enige andere industriële installatie.

 Vervolg

c.   Deze bepaling is uitermate vaag geformuleerd en het wemelt van ontsnappingmogelijkheden. Echter, juist omdat het Activiteitenbesluit zulke ingrijpende gevolgen heeft voor het “publiek” èn omdat de wijze waarop dit Besluit tot stand kwam zo schandalig is, zou het toch kunnen lonen de gang van zaken bij de voorbereiding nauwkeurig in kaart te brengen om daarmee deze klacht toch voldoende gewicht te geven.

 

 IV.  PIJLER 3: TOEGANG TOT DE RECHTER

 1.    Artikel 9, lid 2 - Toegang tot de rechter

 Tekst

Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag.

 Mogelijke klacht

Het betrokken publiek had (en heef)t in onvoldoende mate toegang tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie om de materiële en formele rechtmatigheid van een besluit met betrekking tot een specifiek windenergieproject te bestrijden.

 Toelichting

a.   Het feit dat (grotere) windenergieprojecten onder de Crisis- en Herstelwet zijn gebracht heeft ingrijpende gevolgen voor de rechtsbescherming van burgers. De vraag dient gesteld te worden of dit rechtmatig is nu de reden daarvoor – het bestrijden van de economische crisis – niet langer aan de orde is, althans niet in acute zin.

b. Eén gevolg van het feit dat windparken onder de Crisis en Herstelwet zijn gebracht is dat lagere overheden niet meer beroep kunnen aantekenen tegen besluiten van het Rijk. Hoewel dit burgers niet rechtstreeks regardeert, betekent het wel dat lagere overheden die dicht bij burgers staan en kunnen opkomen voor hun belangen. beperkt worden in hun mogelijkheden dat te doen.

c.  Een ander gevolg is dat een pro forma beroep niet meer mogelijk is en dat al direct de gronden voor beroep moeten worden aangevoerd. Aanvulling van die gronden kan, maar geheel nieuwe gronden aanvoeren is niet toegestaan. Ook niet als door het verstrijken van enige tijd tussen het instellen van het beroep en de behandeling de omstandigheden zich hebben gewijzigd.

d.  De rechter wordt gebonden aan strakkere termijnen en beperkt in zijn mogelijkheden zich te laten adviseren en in de gronden waaraan hij het omstreden besluit mag toetsen. Daarentegen worden mogelijkheden om een omstreden besluit te laten passeren juist verruimd.

e.  En tenslotte en wellicht meest verstrekkend: wie geen zienswijze heeft ingediend op een voorgenomen besluit (zoals een bestemmingsplan) kan geen beroep meer instellen tegen dat besluit bij de Raad van State. En bij dat beroep mogen er – als gezegd – niet onderwerpen aan de orde worden gesteld die in de zienswijze niet naar voren werden gebracht.

f.  Voor infrastructurele werken als (snel)wegen, hoogspanningsleidingen, gasleidingen, etc. bestaan er regeling voor “nadeelcompensatie”. Die regelingen bestaan niet voor windturbines en windparken, ook al is het de overheid die bepaalt waar ze komen. Gevolg is dat de (toekomstige) buren van een windparken minder rechtsbescherming hebben dan de (toekomstige) buren van bijvoorbeeld een viaduct.

g.  Het feit dat er voor de geluidsproductie van windparken gewerkt wordt met Lden normen – anders dan voor elke andere industriële installatie – leidt er toe dat het voor omwonenden vrijwel ondoenlijk is handhaving van die normen af te dwingen bij gemeenten en, in beroep, bij de rechter.

h.  En dat is er nog het punt dat in al te veel zaken de Raad van State klagende burgers volledig  in de kou heeft laten staan – soms zonder enige motivatie – terwijl fouten van bestuursorganen door de vingers werden gezien, dan wel enkel werden benoemd met instandhouding van de rechtsgevolgen.  Kan het “betrokken publiek” in Nederland nog wel de “materiële en formele rechtmatigheid bestrijden” van enig besluit onder artikel 6 (specifieke activiteiten)? Velen betwijfelen het en niet alleen zij die in het ongelijk werden gesteld.

i.   Casuïstiek: Voor eerdere (vergeefse) acties: zie de brief van het NKPW van 17 augustus 2012 over de aantasting van de rechtsbescherming van burgers door de Crisis- en Herstelwet, in het bijzonder door de RCR van toepassing te verklaren op alle windparken groter dan 100 MW.

j.   Casuïstiek: In het verzoekschrift van de Stichting Gigawiek in Houten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt gesteld dat het “fair trial” beginsel wordt geschonden omdat enerzijds de overheid beschikt over al het benodigde geld en deskundigheid, terwijl anderzijds die overheid burgers – zonder geld en met beperkte deskundigheid – ook nog eens beknot in hun rechten. Dit niet alleen door de Crisis-en Herstelwet, maar ook door het Activiteitenbesluit en een voortdurende stroom van nieuwe wet- en regelgeving.

 Vervolg

k.  Hier dus geen reden om casuïstiek/feiten te gaan verzamelen bij actiegroepen of zegslieden want deze klacht is bij uitstek voer voor juristen. Dus in elk geval nader uit te zoeken: alle eerdere uitspraken van het Compliance Committee met betrekking tot de interpretatie van artikel 9.

l.   Ook uit te zoeken: of en op welke wijze er bij Nederlandse rechters een beroep werd gedaan op het Verdrag voor wat betreft toegang tot de rechter. Dat onderzoek in eerste instantie vooral richten op de Raad van State.

m. Ook hier is er al veel (voor)werk gedaan in het kader van de klacht van de Stichting Gigawiek bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Vraag is zelfs of er geen vorm van coördinatie moet komen, zeker als bekend is wanneer “Straatsburg” met een uitspraak komt. Die uitspraak zou namelijk wel eens van grote betekenis kunnen zijn voor een klacht ex artikel 9 Aarhus.

n.  De wetsgeschiedenis van de Crisis- en Herstelwet zal grondig in kaart moeten worden gebracht, vooral als het gaat om de bedoeling van de wetgever en om de redenen windparken onder de werking van die wet te brengen.

o.  En in dit kader misschien al te ambitieus: een onderzoek of de Raad van State ooit in enige windenergie-gerelateerde zaak een uitspraak heeft gedaan op andere dan de meest formele gronden. Of een onderzoek naar de vraag hoe vaak de Raad van State in dit soort zaken een standpunt poneerde zonder onderbouwing of motivering. Of een onderzoek naar uitspraken waarin de Raad aangeeft dat een bestuursorgaan onjuist handelde, maar wel de rechtsgevolgen van dat handelen in stand houdt.

 

 V. ANDERE ZAKEN

 1.    Almemene punten

a.  Een rode draad door alle klachten is de vraag of het zo typisch Nederlandse poldermodel zich wel verdraagt met het Verdrag van Aarhus. Kern van polderen is immers dat er in een beperkte – en soms besloten – kring van belangenorganisaties afspraken worden genaakt bij wijze van compromis tussen al die belangen. Zo gebeurde dat met het Energieakkoord voor Duurzame Groei, ze werd dat gedaan met het Nationale Actieplan van 2010 en zo werden de zaken aangepakt bij alle voor het windenergiebeleid essentiële beleids- en beslisstukken. Gevolg is dat belangenorganisaties volop meededen, maar dat het “publiek” en het “betrokken publiek” er niet aan te pas kwam zoals het Verdrag van Aarhus dat eist. Dat “publiek” kreeg dus niet alle informatie, laat staan dat het “publiek” een inbreng kon hebben in de besluitvorming. Is dit het “open en eerlijke kader” dat door het Verdrag wordt geëist?

b.  Het beeld wordt nog dubieuzer als in aanmerking wordt genomen dat in al dat gepolder juist georganiseerde en financieel daadkrachtige lobby-organisaties alle kans krijgen de discussie en de besluitvorming naar hun hand te zetten, ja zelfs door de overheid werden (en worden) uitgenodigd dat te doen. Zo zat (en zit) de NWEA, de branche-organisatie van de windenergie-industrie vanaf het begin aan tafel. Zie de documenten van de WOB-verzoeken aan EZ en I&M. Later kwamen daar natuur- en milieuorganisaties bij, maar organisaties die namens de bevolking en omwonenden konden spreken ontbraken simpelweg omdat ze er niet waren, terwijl de overheid niets deed om te zorgen dat ze er kwamen en al evenmin een vinger uitstak om het “publiek” op een andere manier te informeren of te mobiliseren.

c.  Maar het parlement dan? Is dit dan niet het gremium waar de stem van het publiek moet klinken? In theorie wel – in de praktijk niet of ternauwernood. Immers, als er (soms moeizaam) een akkoord is bereikt tussen die belangenorganisaties, dan is het voor het parlement lastig/onmogelijk daar nog veel aan te veranderen – als men dat al zou willen. Bovendien: het Verdrag gaat nu juist over de fase voorafgaand aan formele besluitvorming en dus is parlementaire discussie en besluitvorming nooit een vervanging van de eisen van het Verdrag inzake toegang van het publiek tot informatie, tot besluitvorming en tot de rechter.

d.  Gevolg van het ontbreken van een brede inbreng vanuit de bevolking is een verenging van de discussie en de besluitvorming tot de wereld onder de Haagse kaasstolp. Uit de documenten die van EZ en I&M werden ontvangen op het WOB-verzoek blijkt dat het windenergiebeleid de resultante – niet: het resultaat – is van twee krachten. Alle stukken van I&M gaan over landschap, ruimte en natuur en alle stukken van EZ gaan over economie en, voor zover economisch relevant, technologie. En die economie is dan beperkt tot het macro-niveau: de bv Nederland. Nergens gaan het over de belangen van burgers, bevolking en omwonenden. En als het al een keer over mensen gaat, ziet het enkel op PR-campagnes om verzet weg te nemen. Eigenlijk stuitend.

e.  Laat de Haagse wetgever dus het belang van mensen al liggen, dit geldt evenzeer voor het lokale bestuur en zelfs voor de rechtspraak. Casuïstiek in overvloed, vooral als het gaat om “specifieke activiteiten”. Net weer een uitspraak van de Raad van State waarin het bestuur weer eens alle vrijheid en ruimte wordt gelaten (in dit geval over al dan niet maatwerk voor geluid) en waarin dat bestuur op geen enkele wijze verplicht wordt tot belangenafweging. Burgers hebben dus niets te verwachten van de Raad van State – zelfs een lagere rechter die iets wil laten doen door een gemeente, wordt kortaf en zonder motivering teruggefloten. Voeg dit bij het feit dat in Nederland de rechter wet- en regelgeving niet mag toetsen aan de Grondwet en de conclusie is dat er een rechtsvacuüm is, misschien niet in theorie, maar wel in de praktijk. Hoezo rechtsstaat?

 

2.    Specifieke punten

f.  De Rijkscoördinatieregeling (RCR) kan worden ingeroepen in aangelegenheden van nationaal belang. Door de Crisis- en Herstelwet werd de Elektriciteitsnet zodanig gewijzigd dat windparken groter dan 100 MW altijd onder de RCR vallen. Is ooit onderbouwd waarom de bouw van windparken groter dan 100 MW echt een zaak van nationaal belang is? Moet dat nationale belang niet telkens opnieuw voor elk beroep op de RCR worden aangetoond? En als de “crisis” over is, vervalt dan daarmee ook het nationale belang?

g.  En als het bouwen van windparken in het nationale belang is, waarom is er dan geen regeling voor het vergoeden van schade van omwonenden zoals die wel geldt voor andere zaken van nationaal belang, bijvoorbeeld voor de aanleg van snelwegen? Daar worden particuliere belangen wel afgewogen tegen het bredere maatschappelijke belang – bij windparken is dat niet aan de orde.

h.  Gelet op het doel van de Crisis- en Herstelwet – het tegengaan van de economische crisis door snellere besluitvorming over infrastructurele werken – lijkt het insluiten van windenergie-projecten in deze wet uitermate dubieus want de werkgelegenheidseffecten zijn minimaal omdat alle turbines uit het buitenland komen.

i.   Is het terzijde schuiven van provincies en gemeenten voor windparken groter dan 100 MW en van gemeenten voor windparken tussen 5 en 100 MW wel in overeenstemming met het “huis van Thorbecke”? Dit te meer nu de oorspronkelijke grond – het bestrijden van de economische crisis – niet meer aan de orde is.

j.   Er is een besluit 1/8 dat Partijen bij het Verdrag verplicht om een rapport in te dienen over de maatregelen ter uitvoering van het Verdrag en over de “practical implementation”. Het Nederlandse concept-rapport van eind 2013 gaat vooral in op alle activiteiten op het gebied van wet- en regelgeving ter uitvoering van het Verdrag, maar het zegt heel weinig over de implementatie in de praktijk. Verschuilt Nederland zich dus maar achter een formeel verhaal omdat de werkelijkheid achter dat verhaal de toets der kritiek niet kan doorstaan?.

 

3.    Vervolg

kEen voor het vervolg essentiële vraag is welke klachten het beste kunnen dienen als speerpunten – allemaal is te veel van het goede en zal contraproductief werken. De keuze van de speerpunten zal vooral moeten afhangen van de vraag wat de “biggest bang for the buck” oplevert – welke klachten het meest overtuigend zijn, welke klachten politiek het meest pijnlijk zijn en welke klachten de minste inzet van tijd vragen Mijn persoonlijke intuïtie op dit moment: de klacht ex artikel 7 (inspraak in besluitvorming) en de klacht ex artikel 9 (toegang tot de rechter).

l.   De website van de UN Economic Commission for Europe geeft goede informatie over het Verdrag en het Compliance Committee. Zie: http://www.unece.org/env/pp/cc.html. Daaronder ook instructies over inhoud en opzet van een klacht. Van belang is ook een uitvoerige “implementation guide” waarin elk artikel wordt besproken, mede in het licht van de uitspraken van het Compliance Committee.

m. Voor elk van de mogelijke klachten zou nagegaan moeten worden of het Compliance Committee zich in het verleden heeft uitgelaten over een soortgelijke klacht en wat dan in concreto werd gezegd over de interpretatie van de onderhavige bepaling. Dat werk zou gedaan kunnen worden door een klein team van juridische studenten.

n.  Ook uit te zoeken: rechterlijke uitspraken in Nederland waarin iets wordt gezegd over het Verdrag van Aarhus. In welke gevallen werd er een beroep gedaan op het Verdrag? Op welke gronden? En wat zei de rechter daarop? In eerste instantie de Raad van State onderzoeken.

o.  Qua procestactiek: klachten die over incidenten gaan zijn minder effectief dan klachten die betrekking hebben op systematische problemen en – hoewel er geen eis is van uitputting van nationale rechtsmiddelen – is het ook goed aan te geven wat er op nationaal niveau werd gedaan om die problemen aan de orde te stellen. Bij klachten die zien op zaken in het verleden zal duidelijk moeten worden gemaakt waarom er niet eerder een klacht werd ingediend.

 

Deel deze informatie!Tweet about this on Twitter0Email this to someoneShare on Google+0