Waarborgfonds windenergie

mblikmolen

“Minimale kosten en grote maatschappelijke baten”

 

vrijdag 15 mei 2015

 

NLVOW wil Waarborgfonds Windenergie

(pdf) Waarborgfonds Windenergie

Geschreven door: Albert Koers, voorzitter NLVOW

Wij willen onze bezwaren tegen de manier waarop het Rijk te werk gaat bij het realiseren van windenergie op land niet onderbouwen met een beroep op andermans ellende. Feit is evenwel dat het Rijk met de gaswinning in Groningen jarenlang precies hetzelfde deed als wat het nu doet met windenergie. Er zijn steeds drie stappen: (1)  het Rijk beslist dat het een zaak van nationaal belang is – dat er gas wordt gewonnen wordt, dan wel windenergie wordt geproduceerd; (2) voor beide activiteiten bepaalt het Rijk de te realiseren kwantitatieve doelen waarna de realisatie daarvan in handen wordt gelegd van commerciële partijen; (3) het Rijk incasseert een aanzienlijk bedrag aan inkomsten, maar het steekt geen cent in het beschermen van omwonenden (gas) of omwonenden (windenergie) tegen schade en overlast. Als op- of omwonenden schade of overlast menen te ondervinden, dan moeten ze die dus maar zelf zien te verhalen op de commerciële partijen.

Na jarenlang getouwtrek en pas toen het echt helemaal uit de hand was gelopen kwam het Rijk in beweging met regelingen om de gedupeerde omwonenden in Groningen te compenseren voor de schade en de overlast als gevolg  van de gaswinning onder hun voeten. Zou het een idee zijn om dit wat eerder te doen voor windenergie? Voordat ook hier de volkswoede zo uit de hand loopt dat het Rijk wel in actie moet komen? Nog afgezien van de morele en ethische aspecten: regelingen die omwonenden bescherming bieden tegen schade en overlast als gevolg van windenergie zouden ook wel eens de beste garantie kunnen zijn om de doelstelling van 6000 MW windvermogen op land in 2020 daadwerkelijk te realiseren.

Kunnen gedragscodes het probleem oplossen?  An sich zijn dat goede initiatieven, maar zij doen niets aan de essentiële weeffout in de aanpak van windenergie: gedragscodes zijn het werk van, en richten zich op, private partijen en dus blijft het Rijk nog steeds geheel buiten schot. Gedragscodes bevestigen dus in feite alleen maar dat het Rijk weigert mede-verantwoordelijkheid te nemen. Enerzijds verheft het Rijk windenergie tot een zaak van nationaal belang, maar anderzijds geeft het Rijk niet thuis als het gaat om regelingen waarin dat nationale belang wordt afgewogen tegen de belangen van omwonenden. Voor windondernemers en omwonenden ontstaat er zo een spel zonder spelregels met als gevolg: hoog oplopende tegenstellingen en steeds meer verzet.

Er is dus iets anders nodig – iets dat duidelijk maakt dat het Rijk niet alleen doelstellingen oplegt, maar ook zelf mede-verantwoordelijkheid wil nemen voor de realisatie daarvan. Daarom stelt de NLVOW voor dat het Rijk in samenwerking met alle betrokken partijen overgaat tot het inrichten van een landelijk “Waarborgfonds Windenergie”. Zoals het Rijk dat jaren geleden had moeten doen voor de gaswinning in Groningen.

Als het Waarborgfonds tot stand moet komen in samenwerking met alle betrokken partijen, dan past het niet om hier een blauwdruk te presenteren. Daarom slechts enkele contouren om een beeld te geven en als aanzet voor verdere discussie.

  1. Doel van het fonds is omwonenden  te compenseren voor schade en overlast die zij ondervinden van windturbines en windparken en dit, om rechtsongelijkheid te voorkomen, niet alleen voor nieuwe turbines/parken, maar ook voor bestaande. Het is een “waarborg”fonds en dus moeten zowel windondernemers als omwonenden alles doen om schade en overlast te voorkomen.
  2. Of er sprake is van schade en/of overlast wordt bepaald op basis van transparante criteria en dit geldt ook voor het bepalen van de uit te keren vergoedingen. Het toepassen van die criteria in concrete gevallen wordt in handen gelegd van onafhankelijke deskundigen, maar het bestuur beslist. Partijen krijgen ruimte  voor een second opinion en beroep op de civiele rechter.
  3. Het fonds heeft een wettelijke basis en het staat onder toezicht van het Rijk. Het bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van omwonenden en van de windsector aangevuld met leden benoemd door de voor windenergie verantwoordelijke ministers. Het bestuur beslist over de criteria voor het toekennen van vergoedingen en over het toekennen daarvan in concrete gevallen.
  4. Het fonds verwerft inkomsten uit twee bronnen: (a) een afdracht door de exploitanten van windturbines of windparken op basis van een vast bedrag per jaarlijks daadwerkelijk geproduceerd kWhs windenergie; en (b) een afdracht door het Rijk op basis van een vast bedrag  uit de Energiebelasting over de jaarlijks daadwerkelijk geproduceerde kWhs windenergie.

En eerste verkenning van het laatste punt laat zien dat het om zeer beperkte bedragen kan gaan – zo beperkt dat zelfs de vraag gesteld mag worden waarom het fonds er al niet is. Bij wijze van illustratie: (1) in 2014 werd er ruim 5 miljard kWh aan windenergie opgewekt; (2) stel dat de windsector per geproduceerde kWh windenergie 0,15 cent had afgedragen*, dan had dit in 2014 € 7,5 miljoen aan inkomsten opgeleverd; (3) stel dat er van de Energiebelasting 0,5 cent per geproduceerde kWh windenergie in het fonds zou zijn gestort, dan had dat € 25 miljoen opgeleverd**.  In totaal dus 32,5 miljoen. Een berekening met dezelfde parameters voor de 6000 MW opgesteld vermogen in 2020 laat zien dat er dan ruim € 79 miljoen naar het fonds zou gaan.

Zelfs met een zeer bescheiden afdracht vanuit de windsector (+/- 0,5 % van de totale opbrengst uit windenergie) en vanuit de Energiebelasting (+/- 0,5 tot 1 % van de totale opbrengst daarvan) verwerft het fonds dus per jaar al zeer aanzienlijke inkomsten. En dus kan het fonds echt iets doen als er sprake is van schade of overlast. Als de verdere uitbouw van windenergie slaagt, zouden de  inkomsten zelfs wel eens zo hoog kunnen worden dat ze de uitgaven te boven gaan. Daarom zouden de afdrachten gestopt kunnen worden als de reserves van het fonds een bepaald maximum bereiken en worden ze  pas weer geactiveerd als die reserves onder een zeker minimum dreigen te komen.

Wat de NLVOW betreft is een Waarborgfonds Windenergie dus een absolute must – het had er al veel eerder moeten zijn. De kosten – zowel voor de sector als voor de overheid – zijn zeer beperkt, terwijl de baten zeer aanzienlijk zijn: omwonenden en ontwikkelaars hoeven elkaar niet meer in de haren te zitten als het om de financiële aspecten van schade en overlast gaat en de tegenstelling tussen hen die financieel profiteren van windenergie en hen die er alleen maar last van hebben wordt een heel stuk kleiner. En dus zou het zo spoedig mogelijk instellen van een Waarborgfonds Windenergie wel eens de beste investering kunnen zijn om die 6000 MW in 2020 te halen.

Maar daar voorbij: is het instellen van een Waarborgfonds Windenergie eigenlijk niet gewoon een kwestie van fatsoen?  Had het Rijk dat al niet jaren geleden moeten doen voor de gaswinning in Groningen? En is het daarom niet de hoogste tijd voor actie teneinde de fouten van het verleden niet te herhalen in de toekomst?


* De NWEA gedragscode biedt 0,05 ct/kWh voor “draagvlak en participatie”. Doe daar 0,1 ct/kWh bij door de (al te royale) vergoeding aan grondeigenaren voor de helft af te romen voor afdracht aan het fonds = 0,15 ct/kWh in totaal.

** In 2013 bedroeg de Energiebelasting 11,85 ct/kWh. Die 0,5 cent is dus slechts ongeveer 4 % van wat de Energiebelasting opbrengt uit windenergie en slechts 0,5 %  van wat de Energiebelasting in totaal opbrengt (circa 4,7 miljard in 2013).

Deel deze informatie!Tweet about this on Twitter0Email this to someoneShare on Google+0