Rijksinpassingsplannen

Twee Rijksinpassingsplannen op weg naar de finish?

maandag, 8 augustus 2016  160808 O&D 47 – Inpassingsplannen

Geschreven door Albert Koers

Maar er zijn nog wel hordes te nemen! Ze kunnen nog struikelen!
In deze tijd ontleen ik mijn metaforen maar aan wat u elke dag op de TV tegenkomt: de Olympische Spelen. Vandaar die “finish”, die “horden” en dat “struikelen”. Hopelijk overkomt dat Daphne Schippers niet.

Als u deze blogs met enige regelmaat leest, weet u vast wat een “inpassingsplan” is: een plan waarin het Rijk (of een provincie) de bestemming van een bepaald gebied juridisch vastlegt. Zoals een gemeente dat doet met een bestemmingsplan. Met dat inpassingsplan kan het Rijk een gemeenten of provincie overrulen als er sprake is van een “rijksbelang”. En, zoals u ongetwijfeld ook weet, het realiseren van windenergie op land is – terecht of niet – aangemerkt als een rijksbelang. En dus maakt het Rijk inpassingsplannen voor een aantal grootschalige windenergieprojecten. Waaronder Windpark De Drentse Monden en Oostermoer (WPDMO) en Windpark Fryslân (WPF).

De inpassingsplannen voor beide windparken lagen ter inzage in maart en april van dit jaar en de verwachting is dat voor beide projecten de plannen (en alle andere vereiste besluiten) zullen worden vastgesteld in het najaar van 2016. Waarna de tegenstanders nog één actie rest: beroep instellen bij de Raad van State. Echter, statistiek wijst uit dat die tegenstanders daar niet veel van te verwachten hebben. Dus nog een jaar en dan zijn de inpassingsplannen (en alle andere besluiten) onherroepelijk en kan er met de bouw worden begonnen.

Of toch niet?

Op het inpassingsplan voor WPDMO zijn zoveel reacties binnengekomen dat de immer klantvriendelijke Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op de internetpagina met een overzicht van al die zienswijzen tips geeft hoe u het overzicht kunt behouden bij het zoeken in grote bestanden. Er kwamen dan ook maar liefst 286 zienswijzen binnen en 6 reacties van andere overheden. Bij WPF zijn de getallen wat kleiner – het windpark ligt dan ook in het IJsselmeer – maar nog steeds niet gering: 188 zienswijzen en 2 reacties van andere overheden. Toch ligt mijn reden voor twijfel over het verloop van de verdere besluitvorming niet eens bij al die zienswijzen en reacties – de ervaring wijst uit dat het Rijk daar “soepel” mee omgaat, bijvoorbeeld door alle zienswijzen die gaan over nut en noodzaak van windenergie niet ontvankelijk te verklaren en door de resterende zienswijzen te voorzien van niets- of weinig zeggende antwoorden. Wedden dat al die zienswijzen niet zullen leiden tot enige materiële wijziging van de inpassingsplannen?

Toch, als ik projectontwikkelaar zou zijn – voor mij een wat lastig gedachte-experiment – zou ik de aanschaf van champagne nog even uitstellen. Daarvoor zijn een paar redenen.

Bij WPDMO is één van die redenen dat het inpassingsplan op een essentieel punt een zeer ernstig te nemen fout bevat. Meer dan een slordigheid, meer dan een onjuistheid en meer dan een discutabel punt: gewoon fout. Het gaat om p. 48 van het inpassingsplan waarop bij het laatste gedachtestreepje van de opsomming zonder blikken of blozen wordt gezegd dat de energieopbrengst van het windpark maximaal 636.063 MWh zal zijn uitgaande van 4.240 vollasturen. Ik ga niet zeuren over de laatste 63 MWH (150 MW x 4.240 uren = 636.000 MWh), maar een zo hoog aantal vollasturen is in het gebied van WPDMO zo volstrekt onrealistisch dat er maar één kwalificatie past: fout. Het CBS houdt al jaren het aantal werkelijke vollasturen bij wat, zowel voor Nederland als geheel, als voor een aantal provincies. In 2015 was dat voor Nederland als geheel gemiddeld 2.250 uur, met als uitschieter naar boven Friesland met 2.439 uur en als uitschieter naar beneden Flevoland met 2.047 uur. Helaas wordt Drenthe in het CBS overzicht niet expliciet genoemd, maar gemiddeld ging het in de “overige” provincies in 2015 om 2.117 uur.

Nu was 2015 een goed windjaar – in 2014 lag het aantal vollasturen beduidend lager. Bovendien ligt WPDMO in de windschaduw van de Hondsrug en dus is het al heel mooi als dat windpark per jaar gemiddeld zou uitkomen op 2.000 vollasturen; 1.700 lijkt waarschijnlijker, maar, vooruit, niet zeuren. En dus is de te verwachten opbrengst van het park per jaar niet 636.063 zoals het inpassingsplan beweert, maar 300.000 MWh per jaar – minder dan de helft dus.

Nee, dit is niet enkel een technisch verschil van mening en, nee, het betreft hier geen fout die afgedaan kan worden met “Oops, een vergissing die we even gaan herstellen”. Reden: als het windpark minder dan de helft produceert dan wat het inpassingsplan beweert dan valt de grond weg onder zo ongeveer alle afwegingen die in het inpassingsplan worden gemaakt. Immers, tegenover schade aan landschap, natuur en omwonenden staat die bijdrage van 636.000 MWh per jaar aan duurzame energie. Maar als er niet 636.000 MWh wordt geproduceerd, maar slechts 300.000 MWH per jaar dan lijkt het niet uitgesloten – en zelfs waarschijnlijk – dat heel wat afwegingen anders uitvallen. Voor 636.000 MWh per jaar kun je heel wat opgeven – voor 300.000 MWh per jaar maar de helft. De kosten-baten verhouding valt totaal anders uit!

Ik weet niet of dit punt is opgevoerd in één van die 286 zienswijzen. Dat is van belang voor de procedure bij de Raad van State want daar mag een klager in principe alleen maar die punten aanvoeren die al vermeld zijn in de door hem of haar ingediende zienswijze. Voortschrijdend inzicht is wettelijk verboden! Maar nog los daarvan: het is toch – zo hoop ik – ondenkbaar dat het Rijk een inpassingsplan vaststelt dat een zo essentiële fout bevat. Niet alleen die fout moet worden hersteld, maar het zou ook van bestuurlijke zorgvuldigheid getuigen als de diverse afwegingen in het inpassingsplan opnieuw tegen het licht worden gehouden.

Over de andere reden voor twijfel over de toekomst van WPDMO heb ik al eerder geschreven: blog 40 van 9 maart over LOFAR. Voor het geval u het niet (meer) weet: LOFAR is een systeem van kleine antennes verspreid over een groot gebied voor radio-astronomisch onderzoek met als kern een installatie in Exloo, pal naast WPDMO. Het inpassingsplan beweert dat het met de schade aan LOFAR wel mee valt. Ik wil niet beweren dat het door mijn blog komt, maar de minister van EZ vroeg later in maart van dit jaar aan Agentschap Telecom onderzoek te doen naar de effecten van WPDMO op de antennes van LOFAR. Niet onbelangrijk want LOFAR is een internationaal paradepaard van de Nederlandse wetenschap en de bouw ervan kostte ook nog eens 100 miljoen. Agentschap Telecom liet informeel al weten dat die effecten “desastreus” lijken te zijn, maar de vraag is wat er gezegd gaat worden in het formele rapport dat in de loop van de zomer wordt verwacht. Des te interessanter omdat het Agentschap ressorteert onder het ministerie van EZ.

Dan WPF. Ook daar is het nog prematuur voor de projectontwikkelaars om de champagne te voorschijn te halen. Wel om geheel andere redenen dan bij WPDMO.

Bij WPF draait het om één zin op p. 54: “Voor het windpark, uitgaande van een vrije ruimte van in elk geval minimaal 40 meter geldt derhalve eveneens met zekerheid dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten”. Telkens als ik een dergelijke zin lees, bekruipt mij de wens het ooit voor elkaar te krijgen dat zo’n uitspraak betrekking heeft op mensen in de omgeving van een windpark. Maar, nee, de geciteerde zin heeft betrekking op de visdief en de zwarte stern, beschermde vogelsoorten in een Natura-2000 gebied. In eerdere plannen voor WPF bleek dat die significante negatieve effecten niet “met zekerheid” – dat is de wettelijke eis – konden worden uitgesloten en dus moest er wat gedaan worden. Dit kreeg de vorm van een z.g. mitigerende maatregel om schade aan de vogelsoorten te voorkomen, inhoudende dat de afstand tussen het water en het laagste punt van de wieken verhoogd werd van 30 tot 40 meter. Veldonderzoek zou uitwijzen dat dit het aantal “aanvaringsslachtoffers” aanzienlijk beperkt, zelfs zo zeer zelfs dat de eerder voorgesteld stilstandvoorziening niet meer nodig is. De “zekerheid” was verkregen!

Echter, een aantal natuur- en milieuorganisaties heeft twijfels en dus hebben ze een gespecialiseerd bureau ingeschakeld voor het uitvoeren van een contra-expertise. Dus meer veldonderzoek om na te gaan op welke hoogte dat visdiefje en die zwarte stern nu eigenlijk vliegen en hoeveel aanvaringsslachtoffers er in werkelijkheid zijn. Dit alles met het oog op een procedure bij de Raad van State als het inpassingsplan is vastgesteld. Als de Raad van State zou oordelen dat de twijfels terecht zijn en dat dus niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er geen significant negatieve effecten zijn voor het visdiefje en de zwart stern, dan zijn er twee opties: ofwel de ontwikkelaar gooit de handdoek in de ring (niet nog meer goed geld naar kwaad geld gooien), ofwel het bevoegde gezag – de minister van EZ dus – besluit dat WPF onderworpen moet gaan worden aan de zogenaamde “ADC-toets”. Dit betekent dat eerst moet worden vastgesteld dat er geen Alternatief is. Als dat er niet is, dan moet vervolgens worden vastgesteld dat er sprake is van een Dwingend algemeen belang. En pas als die twee hordes zijn genomen, mag bekeken worden hoe er Compensatie kan worden gevonden voor de schade aan natuur en milieu. Dat zal geen gemakkelijke weg zijn, al was het alleen maar omdat er wel degelijk alternatieven zijn, namelijk op het vaste land van Friesland. Misschien niet voor de volle omvang van WPF (316 MW), maar zeker voor een deel daarvan.

Dat die discussie geen gelopen race is, blijkt ook uit de beoordeling van milieueffectrapportage (MER) door de Commissie MER die toezicht houdt op de kwaliteit van de MERs. In die beoordeling zegt de Commissie niet overtuigd te zijn dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten, zelfs niet na verhoging van de wiekhoogte tot 40 meter boven het water. En al eerder – in het kader van de Structuurvisie Windenergie op Land – oordeelde de Commissie MER dat het Rijk niet alle alternatieven goed had onderzocht omdat het Rijk was uitgegaan van wat de provincies hadden bedacht. Die uitspraak geld ook voor WPF.

Wat zegt het over een land dat het al dan niet doorgaan van een giga-windpark als Windpark Fryslân afhangt van de vlieghoogte van het visdiefje en de zwarte stern? En, o ja, ook nog van de toppereend. Maar dus niet van wat het windpark betekent voor mensen. Niet dat ik zou willen laten onderzoeken op mensen op 30 of op 40 meter hoogte vliegen, maar je zou toch willen dat onze soort op een vergelijkbare manier door de overheid wordt beschermd. En wat zegt het over het Rijk als een essentiële fout in een inpassingsplan wordt genegeerd of wordt weggewerkt met een trucje? En waarom blijft een zo zichtbare fout in een inpassingsplan staan terwijl een relatieve leek als ondergetekende er wel over struikelt. Of zie ik iets over het hoofd? Je zou het haast hopen want het alternatief is erger.

Deel deze informatie!Tweet about this on Twitter0Email this to someoneShare on Google+8